home
informatie
lezingen en workshops

contact

 
   
   
 
 
 
 
sitemap
 
overzicht van alle artikelen
achtergronden
oudere artikelen
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Wat is geesteswetenschappelijk onderzoek?

16 dec. 2012, Aardespiegel

Toen wij op pad waren om contacten te leggen met verschillende organisaties in het antroposofische veld, werd ons meerdere malen de vraag gesteld: “Wat is volgens jullie geesteswetenschappelijk onderzoek?” Impliciet houdt deze vraag ook in: “Waar is De Aardespiegel precies goed voor?”. Dat is een uitstekende vraag.

Tijdens één van de hierboven genoemde gesprekken zei ik dat ieder werkgebied z’n eigen kentheorie of kentheoretisch proces heeft. Een filosoof zal de eerste filosofische werken van Rudolf Steiner erbij pakken, maar een schilder begint met het onderzoeken van kleur, of de samenhang tussen beeld en waarneming. Zoals wel vaker gebeurt binnen De Aardespiegel, ontmoette ik diezelfde week een doorgewinterde pedagoog die bezig bleek te zijn met het schrijven van een kentheorie voor leraren, een antwoord op de vraag: “Hoe doe je als leraar onderzoek in je eigen klas”. In de terugblik op deze ontmoeting begon ik te zien hoe ontoereikend een term als ‘kentheoretisch proces’ eigenlijk is. Het impliceert dat het alleen over denken gaat en dat is niet zo. Het gaat om het stellen van de juiste vragen, en daar is véél meer voor nodig dan alleen maar denken. Enerzijds is het waar dat de antroposofie, net als de gewone wetenschap, een gemeenschappelijk ‘canon’ heeft (waarvan de wortels liggen in het Duitse Idealisme), op basis waarvan je het me elkaar eens of oneens kunt zijn. Rudolf Steiner is erin geslaagd de meeste levensgebieden in ieder geval rudimentair vanuit geesteswetenschappelijk onderzoek te omschrijven. Toch is antroposofie niet iets dat in boeken staat. Het moet telkens opnieuw door een zelfstandig individu geschapen worden wil het niet doodgaan. Juist dat individuele is een voorwaarde voor de objectiviteit ervan (het individuele is eigenlijk tegengesteld aan het subjectieve). In dit stuk wil ik met name in gaan op het belang van het creatieve en het sociale als voorwaarden voor levend geesteswetenschappelijk onderzoek.

vormen van geesteswetenschappelijk onderzoek.

Eerst even een kort overzicht van manieren van geesteswetenschappelijk onderzoek die ik tot nu toe heb waargenomen. Met geesteswetenschap wordt hier toch wel specifiek ‘antroposofie’ bedoeld – op universiteiten zijn er ook faculteiten voor geesteswetenschap, maar daar is naar mijn weten weinig of geen ruimte voor de opvatting dat ‘geest’ als iets concreets opgevat kan worden. Ik heb het dus nu verder over geesteswetenschap in de vorm van antroposofie. De meest bekende vorm is, mensen die veel zo niet alles gelezen hebben van wat Rudolf Steiner in zijn vruchtbare leven gezegd en geschreven heeft. Zulke mensen zijn belangrijk en nuttig, vooral als ze ook werkelijk in staat zijn te interpreteren wat Steiner gezegd heeft. Ze verzorgen het contact met de bron. Als methode echter is hij zwak, omdat een geesteswetenschapper toch voor zichzelf moet kunnen spreken. Bovendien is het niet makkelijk juist te citeren, alleen al omdat je door te citeren toch eigenlijk uit z’n verband haalt wat iemand honderd jaar geleden zei. Dit verband wordt alleen hersteld als het gezegde opnieuw in de juiste context geplaatst wordt, dus als de citeerder wérkelijk begrijpt hoe Rudolf Steiner het destijds bedoelde. Soms echter wordt het geciteerde niet goed begrepen of in een andere context geplaatst, waardoor de schrijver de citaten gebruikt om er zijn eigen gelijk mee te bewijzen, en het ziet er dan evengoed heel geleerd uit.

Een tweede methode is, waarnemings- en ervaringsgebieden opnieuw te ordenen door middel van de algemene indelingen die Rudolf Steiner maakte (bijvoorbeeld het drieledige mensbeeld, het vier- en negenledige mensbeeld, de zevenheid van de planeten, de twaalfheid van de dierenriem enzovoorts). Dat levert eigenlijk altijd wel nieuwe gezichtspunten op. Maar vaak ook verschillende uitkomsten, als bijvoorbeeld hetzelfde waarnemingsgebied door verschillende mensen vanuit andere indelingen geduid wordt. Dat is niet erg, hoewel een waarnemingsgebied altijd intrinsieke wetmatigheden heeft die in de ene indeling beter tot hun recht komen dan de andere. Wat helaas vaak gebeurt is dat mensen elkaars interpretatie of invalshoek gaan bestrijden in plaats elkaars benadering aan een vergelijkend onderzoek te onderwerpen. Daardoor wordt voortschrijdend inzicht geblokkeerd en ontstaan er halve waarheden. Bovendien, een schema is nog geen kennis – zeker niet als de duiding ervan aan de lezer wordt overgelaten.

Een derde methode, de moeilijkste, is het opbouwen van kennis vanuit de ervaringen die je als mens of als vakman/vrouw opdoet, het laten spreken van de ervaring zelf. Als je het duiden daarvan toetst aan een algemeen begrippenkader zoals de antroposofie, kun je ook spreken van geesteswetenschappelijk onderzoek. Je kunt in je leven en werken een kentheoretische weg gaan op dezelfde manier zoals Rudolf Steiner die in zijn vakgebied, de filosofie, is gegaan (Wahrheit und Wissenschaft, in het Nederlands vertaald als Waarheid en Wetenschap). Binnen dit kopje valt ook het kunstzinnig onderzoek (werken met kleur, vorm, klank), wat een erg groot gebied is met eigen wetmatigheden die ik in de kunstspiegel zal aantippen. Het gaan van een kentheoretische weg in je leven en werk vertoont echter sterke overeenkomsten met het kunstenaarschap, het berust op een individuele en creatieve levenshouding.

kentheorie of creatief proces?

Het kentheoretische proces zoals beschreven in Steiner’s Waarheid en Wetenschap bevat eigenlijk alle aspecten van dit hele complex. Enerzijds gaat het over innerlijke waarneming, het waarnemen van de inhoud van gedachten. Echter, voordat je je gedachtes kunt waarnemen, moet je ze scheppen. Het scheppende is dus een belangrijk onderdeel van het kentheoretische proces als zodanig. Het kentheoretische proces hoeft dus niet alleen in een setting van denken of meditatie plaats te vinden. Overal waar mensen scheppend werken en daarop reflecteren, vindt een kentheoretisch proces plaats. Je kunt het ook doen door het leven of je dagelijks werk als kunstvorm te beoefenen. Het scheppende is niet iets ongerichts – je bepaalt zelf waar je naar vraagt, en ook de mate waarin een écht onbevooroordeeld antwoord zich kan formuleren. Vaak moet je wel éérst datgene doen waarover je later wilt gaan nadenken.

De hierboven genoemde drie methodes of varianten staan niet los van elkaar, ze maken allemaal deel uit van het kenproces als geheel – alleen overheerst er bij mensen vaak één ten opzichte van de ander. Mensen zijn gewoon verschillend in dit opzicht en zolang er communicatie mogelijk is, moet dat geen probleem zijn. Als kunstenaar wil ik het vooral over het creatieve deel hebben, omdat ik daar verstand van heb en ook omdat die binnen de gangbare antroposofie er vaak bekaaid af komt.
Over geesteswetenschap in de vorm van een exacte helderziende ervaring is nog veel te zeggen, maar dat mag iemand anders doen, hoewel één van onze streefpunten wel is, op een goede manier over helderziende ervaringen te kunnen schrijven. Mijn punt is: ik denk dat een dergelijk ‘innerlijk’ en helderziend proces (ik heb er een héél klein beetje ervaring mee) niet alleen binnen een meditatieve bewustzijnstoestand hoeft plaats te vinden. Het kan ook plaatsvinden in het leven zelf, binnen de normale zintuigelijke waarneming die een mens heeft. De nieuwe helderziendheid zou wel eens een verdiept, geïntensiveerd zintuiglijk bewustzijn kunnen zijn, en geesteswetenschappelijk onderzoek een gericht onderzoekend creatief proces. Twee dingen spelen daarin een rol – enerzijds de wisselwerking van denken en handelen, wat te maken heeft met de bezinning op je eigen doen en laten. Anderzijds de wisselwerking tussen jezelf en anderen of het leven. Zowel het sociale als het hoger ‘ik’ spelen hierin een rol.
De meest wezenlijke vragen leven in de wil, onder het middenrif, als zaadjes in het donker. Het belangrijkste deel van het proces vindt eigenlijk al plaats vóórdat je je vraag formuleert. Vóór die tijd heb je al op gevoel deze vraag gedefinieerd. Het controleren of het de juiste vraag is, doe je met het waarnemende denken, maar het vínden berust op een wil. Eén van de belangrijkste kenvermogens die een mens kan hebben is: te voelen of merken dat er iets is dat je níet ziet.

Dit hele proces komt doorgaans neer op één grondvraag die enerzijds basaal is en anderzijds ook het moeilijkst om juist te formuleren. Het is belangrijk veel tijd te besteden aan zowel het formuleren van de vraag, als het beantwoorden ervan. Het is goed om tussendoor ‘lichtere’ vragen uit te werken. De grondvraag als zodanig heeft daarbij de functie dat hij helpt om de draad in je onderzoek vast te houden. Als het goed is ga je naar die ene vraag ook steeds opnieuw terug. Hij is als een bron waar je steeds opnieuw uit kunt putten.

In deze vorm van ‘onderzoek’ doen, hoeft het dus niet alleen te gaan om ‘de wil zoals die binnen het denken optreedt’. Het gaat hier om wat ervoor nodig is om de beste smid, kunstschilder, leraar of manager te zijn die je maar kunt zijn in dit leven. Om bewustzijn te verkrijgen in de processen van hoe en waarom je je werk doet.

het sociale

In de hedendaagse antroposofie is de grote vraag eigenlijk: kun je de wil tot dergelijk onderzoek ‘bevorderen’ of niet, bij bijvoorbeeld leraren of medewerkers van instellingen? Sommigen vragen zich af hoe het komt dat er bijna geen onderzoek meer gedaan wordt, of denken dat die wil er ‘gewoon niet is’. Ik meen die wil echter wél waar te nemen. Ik denk zelfs dat het mogelijk is om een klimaat te scheppen waarin de latente wil om te onderzoeken wakker kan worden.

Een kenproces in de vorm van een creatief leven kun je eigenlijk alleen doen als je in verbinding staat met anderen, direct of indirect. Het leven met wezenlijke vragen is enerzijds een individuele aangelegenheid met als uitgangspunt dat je op eigen benen staat en eigen verantwoording neemt. Maar het is ook een proces van persoonlijke groei waarin ontmoetingen heel belangrijk zijn. In de praktijk blijkt dat collegiale of ‘antroposofische’ vriendschappen een voedingsbodem zijn voor het bloeien van dergelijke vragen en interesses.
Een individu kan individu zijn in zoverre het door een ander individu wordt waargenomen – wat Steiner noemde het ‘sociale oerfenomeen’. De écht belangrijke dingen kun je ineens verwoorden als iemand je ernaar vraagt. Je kunt het ook synergie noemen, of toeval – feit is dat waar mensen op deze manier hun interesses delen of op elkaar afstemmen, ze soms zelfs puur en alleen via de nacht elkaars vragen oppikken.
De bewuste samenwerking en het omgaan met mensen die anders zijn en kijken, is daarnaast een belangrijke manier om je eigen ontwikkeling te verbreden. Onderzoekers kunnen elkaar in hun eenzijdigheden aanvullen. Een creatieveling kan veel hebben aan een echte weet-antroposoof en andersom.
Soms botst het, want in een samenwerking kom je ook eigen en elkaars lelijke kanten tegen – de alledaagse variant van de dubbelganger of de ‘wachter aan de drempel’. Daarmee om te gaan – noem het maar ‘scholing in het sociale’ – is een ander belangrijk onderdeel van je persoonlijke ontwikkeling. Vooral voor mensen die in een bewustzijnszielenontwikkeling zitten, die dus primair zélf dingen uitzoeken, is het een belangrijk en noodzakelijk hulpmiddel om in balans blijven met hun omgeving.

sociale verhoudingen binnen De Aardespiegel.

Binnen De Aardespiegel zoeken we naar een goede manier om een onderzoeksklimaat te verzorgen. We merken dat behalve kennis, een synergie van het sociale daarvoor heel belangrijk is. Waar mogelijk onderhielden we daarom horizontale verhoudingen. Weliswaar is het zo dat de redactie op grond van autoriteit beoordeelt of teksten aan de kwaliteitseisen voldoen, maar redactieleden hebben die autoriteit alleen door zelf de prestaties te leveren die ze van anderen verlangen (onderzoek geformuleerd in teksten die voldoen aan de kwaliteitseisen). Horizontale verhoudingen hebben de volgende voordelen:

- Mensen worden beoordeeld op hun oorspronkelijke intentie en op de prestaties die zij leveren, niet op secundaire zaken zoals posities en belangen, de tijd die mensen in werkgroepen doorbrengen, of mensen prettig overkomen of niet, hun maatschappelijke status etcetera. Zodoende komt de beste inhoud boven drijven.
- Gelijkwaardigheid maakt nodig dat je je voor elkaar verstaanbaar maakt – je eigen ideeën worden daardoor vaak helderder.
- In gelijkwaardige verhoudingen moet je verschillen van mening of inzicht tot op de bodem uitzoeken, zéér bevorderlijk voor iedere vorm van onderzoek. In een gezagsverhouding hoeft degene met het ‘gezag’ niet inhoudelijk op de ander in te gaan en zal dat ook alleen doen als hij/zij daar zin in heeft.
- Binnen gelijkwaardige verhoudingen hoef je niet bevoogdend op te treden jegens lastige mensen. Je gaat gewoon op gelijke voet een eerlijk gesprek aan, net zolang tot dat gesprek in constructief vaarwater komt dan wel vast loopt.

Enerzijds geloven wij dus dat een basis in het sociale het geheim is van de kwaliteit van De Aardespiegel. Anderzijds hoopten we in de openbaarheid een plek te verzorgen waar vragen gesteld mogen worden en waar mensen elkaar als individu kunnen waarnemen. Onze samenleving is dermate geautomatiseerd en geprotocolliseerd dat zo’n ruimte niet meer automatisch voorhanden is – en hij is juist zo belangrijk voor het ontwikkelen van de visie en betrokkenheid die over méér gaat dan alleen kale, onpersoonlijke kennis. Om de ‘geest’ in het weten of de wetenschap terug te brengen. De geest staat immers niet buiten ons, hij leeft in en onder de mensen, en kan zich uiten in het leven middels het creatieve proces.

Een gezond creatief proces vindt mijns inziens per definitie plaats in een sociale context. Creatieve processen kunnen gezond en ongezond zijn. Ze zijn gezond als ze in harmonie zijn met andere creatieprocessen – zowel die in de natuur als die van andere mensen. In die zin kun je zeggen: alle gezonde creatie is co-creatie. Met name het sociale is daarin een belangrijke leer- en werkplaats.

prestaties

De ‘warmte-motor’ van De Aardespiegel ligt in het sociale, de materiële motor lag tot nu toe in het leveren van prestaties, het publiceren van teksten. Mijn wens voor dit jaar was, een academisch klimaat voor antroposofie als geesteswetenschap te laten ontstaan. Hier en daar is dat misschien gelukt, maar ik zie nu dat het eigenlijk gaat om méér. Wat heb je aan een academisch klimaat, als het niet leidt tot echte betrokkenheid? Natuurlijk is het goed om de lat wat hoger te leggen zodat schrijvers beter gaan schrijven, maar het eigenlijke belang van publiceren, ligt in het sociale. In het proces van schrijven en redigeren worden ideeën getoetst aan de openbaarheid, je moet je verstaanbaar maken voor een leek en daarvan kun je veel leren over de vorm die een idee moet hebben om op een hedendaags algemeen-menselijk niveau begrijpelijk te zijn. Eigenlijk is publiceren de toetssteen voor ideeën überhaupt – in gedachten lijken de dingen altijd anders dan realiter op papier. In die toetsing kan een mens zich ontwikkelen.

Communiceren hoeft overigens niet persé de vorm te hebben van een geschreven tekst, je kunt bijvoorbeeld ook gesprekken voeren. Liefst met mensen die anders over dingen denken dan jijzelf. Kunst kan ook een medium zijn om inhoud vorm te geven. Zelf ervaar ik het schrijven van teksten toch vaak als frustrerend indirect. Ook is me duidelijk geworden dat een actieve belangstelling niet makkelijk bij grote groepen mensen gewekt kan worden. Maar dat is misschien maar goed ook.


Dit artikel verscheen op 16 dec. 2012 in het online magazine Aardespiegel



Terug naar boven

Terug naar artikelen