home
meer weten
schilderles

contact

sitemap

 

 

kleuronderzoek praktisch

 
achtergronden
 
kunst en wetenschap
 
esthetiek, of, de wetenschap van het schone
 
  artikelen over kunstgeschiedenis 
 

kunst en objectiviteit

 
lichaamsintelligentie
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Hier vind je een compacte reader over kleurtheorie. Ik deel hem uit bij cursussen.

Over kleur

Op school hebben jullie waarschijnlijk de opvattingen van Newton over kleur geleerd (alle kleuren als gelijkwaardige delen van het witte licht, kleur als splitsing van het witte licht). Dat zullen we helaas even recht moeten zetten. Met de kleurenleer van Newton kun je wel een kleurentelevisie maken, maar kunstenaars kunnen er weinig mee. Zij kiezen meestal voor de kleurtheorie van Goethe. Maar ik ga hier alleen het hoognodige aan theorie behandelen. Want:

Kleur is een zintuigindruk. Hoe je ook goochelt met deeltjes, golven, brekingsindexen etc, het komt er toch op neer dat kleur iets is dat JIJ waarneemt. Kleur is wél een objectief gegeven, maar dat blijkt voornamelijk uit het feit dat je er met anderen over kunt communiceren. En dat je er foto’s van kan maken.
Kleur kan een (zintuiglijk waarneembare) eigenschap zijn van zowel licht als materie. Volgens Goethe ontstaan kleuren in de wisselwerking tussen licht en duisternis. Dit is goed waar te nemen in de atmosfeer. Hier verschijnen kleuren als vanzelf, in hun meest vrije en natuurlijke vorm.

Om te begrijpen wat kleur is, moet je weten dat licht en duisternis op zichzelf niet zichtbaar zijn.. Licht wordt pas zichtbaar als het ergens op schijnt: de lucht, het water, de aarde. Lucht is ook materie.... Op de maan is er ook ‘overdag’ een donkere sterrenhemel. En dat je de duisternis zelf niet kunt waarnemen, ligt voor de hand. Het niet kunnen waarnemen is inherent aan het verschijnsel duisternis. Duisternis is geen waarneming maar een constatering. Alleen licht en duisternis samen brengen nog niet iets zichtbaars tot stand. Daarvoor is een derde factor nodig: het medium, een drager waarin zowel licht als duisternis zichtbaar kan worden. Dat kan lucht zijn, of water, of glas- hoe transparanter het medium, hoe beter je er kleurverschijnselen mee tevoorschijn kunt brengen. Bij het vormen van kleurverschijnselen speelt ook de dichtheid van het medium een rol, daarover verderop meer.

Alleen aan de materie (water, aarde lucht en vuur) worden dingen überhaupt zichtbaar. Licht en duisternis zijn allebei immaterieel en dus onzichtbaar. Kleur echter is als zintuigindruk ook immaterieel, maar wél zichtbaar. Na lang me afvragen ben ik kleur gaan zien als verschijnende warmte. Volgens oude elementenleer is warmte ook een vorm van de materie, en wel de meest verfijnde.

In de atmosfeer is er een wisselwerking tussen licht en duisternis. Volgens Goethe zie je rood als er licht achter duisternis is, en blauw als er licht voor duisternis is. De helderblauwe lucht bij een zonnige dag is blauw, omdat er bij ons beneden een heldere atmosfeer en heel veel licht is, vóór de grote donkere kosmos daarachter. Omgekeerd, als de zon gaat zakken, schijnt ze door een steeds dichtere atmosfeer heen. Dichtbij de aarde zijn er meer stofdeeltjes in de lucht. Het licht daarachter, waar de zon schijnt, schijnt daar met kracht doorheen daarom wordt de lucht eerst geel, dan oranje, en uiteindelijk rood als de zon door de meest dikke atmosfeer heen schijnt.

Kijken door een prisma

Door een prisma zie je een vorm van dit verschijnsel in het klein. Hiernaast zie je een plant en (onderin de foto) een prisma met het beeld van de plant erin. Het prisma trekt het beeld naar een andere plaats (in dit geval: naar onderen). Doordast het beeld verschuift, komt duisternis waar eerst licht was (duisternis voor licht, de geel-rode rand) en licht waar eerst duisternis was (licht voor duisternis, de blauw-paarse rand) De rode rand geeft dus de richting aan waarnaar het beeld verschoven is. De randen zijn het resultaat van de beweging die het beeld maakte onder invloed van het prisma - vandaar dat wel gezegd wordt: kleur is beweging. Exacter gezegd: kleur is het beeld van een beweging. Je kunt ook zeggen: kleur is een ongerijmdheid, want het verenigt twee dingen die niet verenigbaar zijn (twee verschillende plekken op dezelfde tijd). Als laatste optie: kleur is een (primitief) tijdverschijnsel. Een eerste vorm van tijd is, als je innerlijk twee dingen ziet die een oorzakelijk verband hebben.

Let op: alleen als de gekleurde randen elkaar raken krijg je groen (als de lichte kanten elkaar raken). Als de donkere kanten ekaar raken krijg je magenta (knalroze). Hierover verderop meer.

Hiernaast zie je een schematische weergave van de gekleurde randen. Er is een traploos overgaan van de ene kleur in de andere. De kleuren die we benoemen zijn eigenlijk abstracties, er zijn er eigenlijk veel meer. Iedere nuance heeft weer zijn eigen karakter. Als je goed kijkt zie je in zo’n gekleurde rand wel sommige kleuren sterker en breder zich manifesteren dan andere (geel bijv. heeft meestal alle ruimte). Dit kun je zien als vormen van stuwing. Iedere kleur ontstaat doordat licht en duisternis elkaar in een krachtig evenwicht houden. Je zou zeggen, als ze willen doorgaan met bewegen maar niet kunnen, verschijnt er een kleur. Bij veel licht krijg je een lichte kleur, zoals geel (voor het licht) of turquoise (achter het licht), bij veel duisternis donkerrood (voor het licht) of violet (achter het licht)

In de menselijke constitutie is er een equivalent van licht en duisternis.

Licht is dat wat jou doet zien, inzien, begrijpen. Bewustzijn, dus. Duisternis is wat nog onzichtbaar is, de potentie die er leeft in je spieren en spijsverteringsstelsel, je levensprocessen en je onderbewuste. Wat er in je gedachtenwereld gebeurt kun je goed volgen, wat er in je gevoel gebeurt is al minder scherpomlijnd, en wat er in je ledematen en darmen gebeurt kun je eigenlijk alleen maar raden. Duisternis staat hier dus niet voor ‘slecht’! Duisternis is potentie, dat wat je aan mogelijkheden in je draagt.


Als we de kleurencirkel opvatten als een algemeen beeld van de menselijke ziel, kom je tot het volgende beeld.
De rode kant representeert: jouw duisternis, potentie, activiteit die zich ontplooit tegen een licht buiten je. Oftewel: eerst doen en dan pas bewustworden. Dat kan ook in de meer bewuste regionen plaatsvinden: eerst gedachten formuleren, en dan pas nagaan of het eigenlijk wel klopt. Meer richting ‘ duisternis’ wordt dat: eerst ordenen en dan zien of het goed is. Eerst handelend optreden en dan nagaan of het goed was. Iets eerst via je lichamelijkheid beleven (bijv. via libido/sex, of opeten en verteren), en dan kijken of het goed is. Dit hele spectrum vind je in de aan de rode kant.
De blauwe kant representeert: jouw licht voor de duisternis daarbuiten. Oftewel: het leven in je eigen bewustzijn en het overdenken, beschouwen, contempleren van de dingen. Dat bewustzijn kan heel scherp zijn, zoals bij een schaker of wiskundige, maar ook heel droom- of trance-achtig, zoals bij een intuitief werkende homeopaat. Of heel gewoon, daartussenin, zoals bij een mens met gezond verstand.

Maar de kleurencirkel is pas compleet als de twee gekleurde randen elkaar raken, zoals hieronder. Dit zie je als je door je prisma naar een takje kijkt (links), en dus de donkere kant van de randen elkaar raken. Rechts zie je de dat de lichte kanten van de randen elkaar raken.

Als de lichte kant zich sluit zie je groen, en als de kleurencirkel zich over het zwart heen sluit ontstaat er daar een helder knalroze (magenta). Het wit wordt dus donkerder, en het zwart lichter.

Groen en roze zijn dus van een andere orde dan de kleuren van de gekleurde randen.Samen met wit en zwart worden zij beeldkleuren genoemd

 

Beeldkleuren zijn in evenwicht tussen licht en duisternis en geven ook die gevoelsindruk (neutraal, rustig). Het zijn kleuren die geen gevoelens verbeelden, maar iets dat dieper ligt. Ze zijn door Rudolf Steiner beeldkleuren genoemd omdat ze beeld zijn van de ordening in vier natuurrijken: plant, dier, mens, mineraal.

 

Het beeld van de geest verschijnt in de ziel, en dat is wit (het witte licht). Het beeld van de ziel verschijnt in dat wat leeft, en dat is roze (de basiskleur van de menselijke huid, kijk naar littekens). Het beeld van het leven verschijnt in de dode materie, en dat is groen (de plantenwereld). Het beeld van de dood, zoals het in de geest verschijnt, is zwart (de aarde)

Deze constructie is van Rudolf Steiner. Je moet dit niet zien als een bewijs van iets, maar als een manier om over dingen na te denken.

De ordening die de natuur heeft (in de vier natuurrijken) spiegelt zich weer in onze constitutie.
Hier kan ik apart een boek over schrijven. De hele schepping der natuur kan vanuit de beeldkleuren beschreven en invoelbaar gemaakt worden. Hier wil ik echter alleen ingaan op de werking die het in onze constitutie heeft. Beeldkleuren zijn het beeld van de bewustzijnstoestanden die we hebben, ze reguleren de wisselwerking tussen waken en slapen, en tussen innerlijk en uiterlijk waarnemen. Een regenboogkleur kun je zien als beeld van een gevoelstoestand die tot gedachte worden. De beeldkleuren kun je zien als beeld van het vegetatieve bewustzijn daarachter, waardoor ons gevoelsbewustzijn uberhaupt ontstaat.
Er zijn bij ons mensen grofweg vier bewustzijnstoestanden te onderscheiden:

Trance (komt overeen met een steen, en ons fysieke lichaam)
Droomloze diepslaap (als een plant, en ons etherische lichaam, de wereld van de levenskrachten)
Droombewustzijn (als een dier, en ons astrale lichaam, onze gewaarwording en gevoelens)
Helder waakbewustzijn (wakkerheid, ons zelfbewustzijn of 'ik')

Een bewustzijnstoestand staat als het goed is nooit op zichzelf. We zijn ook overdag niet alleen maar wakker, net onder de drempel van ons waakbewustzijn dromen we ook overdag. Hetzelfde geldt voor de droomloze diepslaap en de trance.
Gevoelens ontstaan doordat we kunnen fluctueren, niet alleen maar altijd helder wakker zijn.
Qua spirituele ontwikkeling kun je zeggen, dat die eruit bestaat doordat we, met behoud van de heldere wakkerheid, de ondergelegen bewustzijnslagen leren betreden en erin waarnemen en handelen. Schilderen kan een middel zijn om dat te leren. Maar daar ga ik elders over uitweiden.

Waar zwart en wit gaan over de licht en duisternis buiten ons (die in ons de kleurbeleving doet ontstaan), gaan groen en magenta over het licht en de duisternis IN ons (met behulp waarvan wij ons aktief een voorstelling vormen over de wereld om ons heen).

 

Alleen al door de kleurencirkel hierboven kun je zien dat in de menselijke ziel geen absoluut licht of absolute duisternis voorhanden is. Net als in de yin-yangcirkel van de Chinezen heeft het licht een kern of essentie van duisternis (groen), en heeft de duisternis vooral de functie van lichtdrager.

In onze constitutie hoort groen bij de bovenpool-bewustzijn (heldere wakkerheid), en magenta meer bij het onderpool –bewustzijn (dromen). Maar er is, als het goed is, altijd een samenwerking tussen deze twee principes. Er is nu een bijzondere verhouding tussen deze twee. Als je roze en groen licht mengt, krijg je iets dat wit tot heel licht kobaltblauw is. En dat is de kleur van de zon hoog in een heldere atmosfeer. Vandaar dat je zou kunnen aannemen, dat licht gemaakt is van roze en groen. Dat is natuurlijk alleen in onze constitutie zo, maar dat alleen al is een belangrijk gegeven. Onze constitutie bepaalt onze manier van waarnemen. Als je de manier van waarnemen van mensen kent, kun je betere schilderijen maken.

Om te beginnen kun je kiezen of je licht meer groen of meer magenta van karakter is. Je kunt zelfs in je schilderij verschillende gebieden aanbrengen waarin de een of de ander meer overheerst.
Rood wordt bijvoorbeeld in magenta licht heel rijk en stralend, en door groenachtig licht wordt het meer in de materie gedrongen (dik, dichter, meer richting bruin). Bij de blauwen is het andersom: kobaltblauw wordt doffer van magenta licht, en stralender van groen licht.
Het groene en magenta licht hoeft niet altijd zichtbaar weergegeven te worden. Het is meer zo, dat als in je schilderij meer bruin/blauw/groen of grijs van toon is, je kunt zeggen dat het licht meer groen van karakter is (en je op dat moment meer in de buitenwereld georienteerd bent). Een mooie blauwe lucht kan daar goed bij, maar knalrode of roze dingen liggen dan niet voor de hand. Die kunnen dan alleen maar geverfd zijn, want er is geen licht dat hen mooi doet uitkomen. Ik noem maar wat.
Hoe langer je hiermee experimenteert en mediteert, hoe meer specifieke wetmatigheden je tegenkomt. Dit is allemaal kennis die je in je schilderijen kunt toepassen. Mij heeft het geholpen om van een schilderij een proefopstelling te maken en (zelf)onderzoek te doen door te schilderen.


CONTRAST


Alle kleuren die in de regenboog tegenover elkaar staan contrasteren met elkaar. Als je ze mengt, heffen ze elkaar op (worden bruingrijs), maar als je ze naast elkaar zet versterken ze elkaar en roepen ze elkaar op. Als je bijvoorbeeld een wit vlakje wilt hebben tegen een rode achtergrond, zul je een truc moeten uithalen (er een pietsje rood aan toevoegen) om te voorkomen dat het witte vlakje er groen uitziet.
Er zijn geen precieze regels te geven over welke kleuren precies wel en niet contrasteren, het is een werking die je kunt waarnemen. Bijvoorbeeld, als je een bruinrode bakstenen muur ziet, met accenten van grijs beton erin, dan gaan die grijze stukken blauwachtig lijken. Hoe sterk je dit verschijnsel waarneemt, hangt deels af van je constitutie (de 'veerkracht' van je etherisch lichaam)

Contrastwerking kun je gebruiken om je kleuren tot leven te wekken. Als je een echt mooi blauw wilt hebben, kun je beter een beetje oranje door je achtergrondkleur mengen (ik bedoel, door de stukken die niet blauw zijn) dan aan het blauw zelf gaan sleutelen om het mooier te maken. De kleuren in je schilderij staan nooit op zichzelf. Ze bevinden zich in relatie tot elkaar. Contrast bepaalt de dynamiek ervan.
Als je schildert, contrasteren niet alleen je kleuren, maar ook lichte en donkere stukken. En je materiaal speelt ook een rol: matte of glanzende verf, transparante of dekkende verflagen. Hiermee kun je je contrasten versterken of milder maken. Dit zijn dingen die je moet uitproberen.

Het INTERVAL

Een interval is een kleur die op geheel magische wijze ontstaat tussen twee andere kleuren in Dit is een relatief onbekend kleurverschijnsel. Het berust (volgens mij althans) op de menging van gekleurd licht. Kleur bestaat niet alleen in de vorm van materie, maar ook in de vorm van licht. Als je kleur als licht schildert, gaat het optisch ook mengen als licht.

Deze plaatjes zijn elk met slechts 2 kleuren gemaakt (in de computer), maar als het goed is zie je er op elk plaatje 3. Het is een vluchtig kleurverschijnsel, en verschijnt alleen als je kleuren atmosferisch geschilderd zijn en zich in de juiste verhouding tot elkaar bevinden. Je moet enigszins getraind zijn om ze te kunnen waarnemen. Maar de wetmatigheid van welke kleur verschijnt is altijd hetzelfde.
Tussen rood en blauw ontstaat magenta (dat is: tussen alle roden/oranjes en alle blauwen)
Tusen viridiangroen en magenta ontstaat een licht cobaltblauw
Tussen rood en groen ontstaat geel.
Deze wetmatigheden kun je gebruiken om mooie, natuurlijke kleurovergangen te maken. Als
Je bijvoorbeeld een blauw vlak op een rode achtergrond wilt schilderen, ziet het er mooier/natuurlijker uit als je magenta als overgangskleur gebruikt.

De schepping van de regenboog

Stel nou dat je de kleurwereld zou willen namaken – dan moet je eerst goed kijken hoe de natuur het doet. Je kunt hierin drie stappen onderscheiden.

1 Licht en duisternis komen in verhouding tot elkaar en doen een kleur verschijnen.
2 deze kleur roept zijn tegendeel op (contrastwerking)
3 de twee contrastkleuren mengen zich en roepen een derde kleur in het leven (intervalwerking)

En van daaruit is alles mogelijk.
Zien jullie hoe de these-antithese-synthese-theorie van Hegel hierin verstopt zit?


Kleur als licht, kleur als materie

Alles wat wij zien heeft een kleur, maar kleur is geen licht, en ook geen materie. Kleur treedt als eigenschap op van zowel licht als materie. De kleurwereld is de brug tussen deze twee zo fundamenteel verschillende werelden. In de germaanse sagen vind je dit gegeven terug als Bilrost, de regenboogbrug, die de goden nodig hadden om heen en weer te reizen tussen hun eigen wereld en de onze. Thor was de enige god die deze brug níet nodig had, en gewoon door de rivier kon waden (in een ander verhaal geeft hij zelfs de dwerg “kleur”een schop!).

Hiervoor werd al even aangestipt dat gekleurd licht anders mengt dan gekleurde materie. Dit is een groot en verfijnd mysterie. Wat in het gekleurde licht de primaire kleuren zijn, zijn in de materie (verf) de secundaire kleuren, en andersom. Primaire kleuren zijn kleuren die je niet door menging kunt verkrijgen, secundaire kleuren zijn kleuren die je uit primaire kleuren kunt mengen. Nog een verschil tussen gekleurd licht en gekleurde materie: als je gekleurd licht mengt, wordt de mengkleur lichter, als je verf mengt, wordt de mengkleur donkerder.


De kleuren hiernaast die met de zwarte stip erin zijn de primaire kleuren in het schilderen en drukken:
- Cyaan (helder, vrij licht blauw, tegen turquoise aan)
- Magenta (knalroze, precies tussen roodachtig en blauwachtig in
- Geel (helder citroengeel)
Met zwart erbij heet dit systeem CMYK(je vindt het o.a. in photoshop), en in de drukkerij worden met deze 4 kleuren alle mogelijke afbeeldingen, kleurenfoto’s etc. gedrukt. In het schema hierboven zie je de mengkleuren ertussenin. Gewoon rood is dus een mengkleur tussen magenta en geel.

Precies anderson gaat het bij de menging van gekleurd licht. Hier zijn de kleuren zónder stip primaire kleuren.:
- geel licht is: de mengkleur van groen en rood licht,
- cyaan/lichtblauw licht: een mengkleur van groen en blauw licht
- magenta licht: de mengkleur van rood en blauw licht.
dit systeem vind je óók in photoshop, en wel als RGB: rood-groen-blauw.

Deze mengwetten, die van het licht en die van de verf, vind je allebei in het schilderen terug. In eerste instantie heb je natuurlijk te maken met de wetten van de materie c.q. verf, maar als je kleuren in evenwicht zijn, en de kans krijgen zich als licht te gaan gedragen, kunnen ze ook als licht gaan mengen. Dan krijg je de intervalwerking (Zie hierboven).

In de prismaproeven komen deze kleuren als volgt terug: als je de regenboog met het groen erin samendrukt, blijven alleen rood-groen-blauw over, en in het geval van het takje, als de donkere kant van het spectrum samengedrukt wordt, blijven de kleuren cyaan, magenta en geel over.

Voer voor meditatie, nietwaar?
Dit gegeven wekt namelijk de indruk dat licht (zoals wij het kennen) zijn verschijnen hier op aarde aan de materie dankt, en andersom....

De bovengenoemde zesster is natuurlijk ook voer voor meditatie. Het verbeeldt een geheim van de schepping, over hoe geest en materie, die zo totaal verschillende grootheden, toch verenigd kunnen zijn. Voor de overvloedige duidelijkheid: de schema’s op de vorige pagina zijn dusdanig vereenvoudigd dat ze de idee die er in de wetmatigheden verborgen zit laten zien. In werkelijkheid zijn er kleine afwijkingen en verschillen; die zorgen ervoor dat de kleurwereld niet al te mechanisch wordt maar een levend geheel blijft